inv. nr. 139, verleibrief West-Barendrecht dd. 13 januari 1643

De Ridderschap, edelen ende steden van Hollandt ende Westvrieslandt, representerende den Staten van denzelven lande, doen condt allen luijden, dat voor Heer Johan van Wassenaer, Heere van Duivenvoorde, Voorschooten, Sterrenburch etc., stadthouder ende registermeester van onze leenen, ende den leenmannen hier nae genoemt, gecomen ende gecompareert is in properen persoone Mr. Johan de Cocq, advocaet voor den Hove van Hollandt, ende heeft vermoegens de procuratie substitutiel hier nae volgende: Op huijden den XIIIen decembris XVI c twee ende veertich compareerde voor mij Adriaen van der Graeff, openbaer notaris, bij den Hove van Hollandt geadmitteert, binnen Dordrecht residerende, ende den getuijgen hier onder genomineert, Sr. Egenraedt Pieck, stadthouder tot Batenburch, als procuratie hebbende van Vrouw Anna Maria Storm van Merle, weduwe ende douwaijiere tot Batenburch, geassisteert met den Ed. Pontiaen Singendonck, burgemeester der stadt Nijmegen, Jr. Johan van Boetbergen als momber van de onmondige kinderen van de voors. Vrouw Anna Maria Storm, echtelijck verweckt bij wijlen Heer Maximiliaen van Bronchorst ende Batenburch, in zijn leven Vrijheer tot Batenburch ende Steijn etc., item Vrouw Johanna van Bronchorst tot Batenburch, huijsvrouwe van den Heere Johan de Hornes, Grave tot Hoorn, geadsisteert met Doctor Adriaen van den Poll, harer in deser zaecken gecooren momber, welcke procuratie voor zoo veel Vrouw Johanna van Bronchorst tot Batenburch aengaet, bij een naerder procuratie van gemelte Heere Grave tot Hoorn is geapprobeert, in date den vijffden deser jegenwoordiger maendt Decembris XVI c twee ende veertich voor den gerechte van Ravesteijn, Heer Diderick van Heijde, Heere tot Otmarson ende Boeck, ende Vrouw Goedana van Bronchorst tot Batenburch echteluijden, mitsgaders die Vreulins Agnes ende Charlotte van Bronchorst tot Batenburch, geadsisteert met Aernt van Buijren, oock in desen haeren gecooren momber, gepasseert voor burgemeesteren, schepenen ende raedt der stadt Nijmegen, ende Wilhelm van Hoeckelom, oudtburgermeester, ende Jacob Gooris, raedtsvrindt der zelver stadt, als leenmannen des Furstendoms Gelre ende Graeffschap Zutphen, inhoudende de clausule van substitutie, zoo ons notaris ende den ondergeschreven getuijgen naer lecture der zelver procuratien gebleecken is, dewelcke verclaerde uut crachte ende in gevolge van dezelve clausule te hebben gesubstitueert, gelijck hij comparant substitueert mits desen, Mr. Johan de Cocq, advocaet voor den Hove van Hollandt, voornoemt, omme uut zijn comparants in de voorsz. qualité name aen den Heere Abraham van Beveren, Heere van Oostbarendrecht ende schout deser voorsz. stadt Dordrecht, te cederen, transporteren ende over te dragen de ambachtsheerlijckheijt van Westbarendrecht metten aencleven vandien in conformité van de coopvoorwaerden, bij den voorsz. Heere Beveren van den comparant in de voorsz. qualité op gisteren in de herberge van St. Joris in’t openbaer gecocht, ende dat in zoodaniger vougen als eenichsints zal werden gerequireert ende vereijscht, ende de cooppenningen van dien ( doch met naerder ordre van den voorsz. Hove van Gelderlandt ) onder zijne quitantie te ontfangen ende voorts generalijck daerinne meer te doen ende handelen, dat hij comparant ofte de origine Heeren ende Vrouwen constituanten zelffs present ende voor oogen zijnde, eenichsints zoude comen ofte mogen doen. Belovende

 - 1 -

voor goedt, vast, bondich ende van waerden te houden ende doen houden allen ’t gene bij de voorsz. gesubsitueerden in desen gedaen ende gehandelt zal worden onder den verbande naer rechten daer toe staende. Aldus gedaen ende gepasseert binnen Dordrecht ter presentie van Joncheer Wilhelm van der Meulen ende de Heere Henrick Blancquen, Doctor in de rechten, als getuijgen van goeden gelove hiertoe met mij notaris versocht ende gebeden, die de minute deses neffens den comparant ende mij notaris onderteijckent hebben ten dage, maende ende jaere alsvoren. Onder stondt, accordeert mette minute, Quod attestor, ende was onderteijckent A. van de Graeff nots. publ.

Ons met halm, hande ende monde opgedragen, overgegeven ende quijtgeschonden, zonder eenich recht, actie ofte toeseggen meer daer aen te behouden, als onze leenmannen wijsden dat recht was, ende dat ten behouve van Abraham van Beveren, ambachtsheer van Oostbarendrecht ende schout der stadt Dordrecht , de navolgende drie parceelen van leenen,

Eerst de ambachtsheerllijckheijt van Westbarendrecht met al dat de ambachtsheerlijckheijt aencleven mach, alzoo wel binnensdijcx als buijtensdijcx, streckende totten diepe toe, uutgenomen visscherie, volgelrie, stalen, veenen ende uutgorssen, leggende buijtensdijcx in den zelven ambachte, ende oock uutgenomen alle de coorenthiende ende smalthiende, die hier namaels buijtensdijcx comen ende vallen zullen, als oock die nu binnensdijcx leggende zijn,

Noch de smalthiende van Westbarendrecht, die nu bedijckt zijn ofte namaels bedijckt zullen mogen worden, met allen haeren toebehooren, ende noch de geheele coorenthiende, groot, ende cleijn, die nu is ofte namaels tot eeniger tijdt vallen ofte comen mach in de onbedijckte landen, leggende alsnu buijtensdijcx, totten diepe toe, mitsgaders alle actie, recht ende toeseggen, dat Jacob van Minnebeecke aen de voorsz. thiende, groot ende cleijn, van de voorsz. buijtendijcxe landen eeniger manieren hebben mocht.

Soo ist dat wij de voorsz. opdrachte, overgifte ende quijtscheldinge believende ende danckelijck nemende ( behouden ons ende eenen ijegelijcken zijns rechts ) verlijdt ende verleent hebben, verlijen ende verleenen mits desen onzen brieve, den voorsz. Abraham van Beveren, de drije parceelen van leenen, zoo die hier boven int lange verhaelt zijn, te houden van ons vanwegen de Graeffelijckheijt ende Hooge Overicheijt van Hollandt ende Westvrieslandt, Abraham van Beveren voornoemt, zijnen erven ende nacomelingen, elck der voorsz. drie parceelen van leenen tot eenen onversterffelijcken erffleene, al t’ samen ende elcx bijsonder naer inhouden der ouder brieven ende onze leenregisteren daer van wesende. Ende hier van heeft de voorsz. Abraham van Beveren ons hulde, eedt ende manschap gedaen alst behoorde, in handen van den voorn. Heere stadthouder ende registermeester van onze leenen. Hier waeren bij, aen, ende over als onze leenmannen van Hollandt, Dirck Gool, onzen griffier van leenen, Mr. Johan Vincent Pothoven, advocaet voor den Hove van Hollandt, Pieter van Tetroede, contrerolleur van ’t cleijn zegel van Hollandt, ende Davidt Vinck. Toorconden desen onzen brieff besegelt met onzen grooten zegele, ’t welck wij in gelijcke zaecken gebruijckende zijn. Gedaen in den Hage den XIIIen Januarij anno XVI c drije ende veertich.

J. Wassenaer vt.

 

corr. en typ. 2008 JvV

 

 - 2 -

Ga terug