inv. nr. 149, verleibrief West-Barendrecht dd. 12 december 1764

De Staten van Holland ende Westvriesland, doen kond allen luijden, dat wij behoudens onse ende eenen ijgelijks regt, verleijd ende verleend hebben, verlijen ende verleenen bij desen onsen brieve, Jan van Leijden, Collonel van de Cavallarije en Major van de Guardes te paerd ten dienste deeser landen etc. de naarvolgende vier parceelen van leenen, te houden van ons bij den voorn. Jan van Leijden, sijnen erven ende nakomelingen te zamen ende ijder in ’t bijsonder tot eenen onversterffelijken erfleenne, als eerst de ambachtsheerlijkheijd van West-Barendregt met den schoutambacht, met den nakoop, met dijkgraafschap ende voorts met allen zijnen toebehoren ende met al dat de ambachtsheerlijkheijd aankleeven mag, alzoo binnen sdijks als buijten sdijks strekkende tot den diepe toe, uijtgenomen visscherijen, vogelrijen, staelen, veenen ende uijtgorssen leggende buijten sdijks in denzelven ambachte, ende ook uijtgenomen alle de coorntiende ende smaltienden die hiernamaals buijten sdijks komen ende vallen zullen, als ook die nu binnen sdijks leggende zijn, ’t welk in onse leenregisteren gedesigneert is met no. 1619. Nogh de smaltiende van West-Barendregt, die nu bedijkt zijn ofte namaals bedijkt zullen mogen worden, met allen heuren toebehooren, ’t welk gedesigneert is met no. 1620. Nogh de geheele coorntienden groot en kleijn, die nu is ofte namaals tot eeniger tijd vallen of komen mag in de onbedijkte landen, leggende als nu buijten sdijks tot den diepe toe, mitgaders alle actie, regt ende toeseggen dat Jacob van Minnebeek aan de voorsz. tienden groot en kleijn van de voorsz. buijtendijkse landen in eeniger manieren hebben mogt, ’t welk gedesigneert is met no. 1621.

Ende laestelijk nogh de binnendijkse coorntiende alleenlijk van den ambachte van West-Barendregt gelegen in den lande van Zuijdholland genaamt Jacob Dammasz. ambacht ’t welk gedesigneert is met no. 261.

Al naar inhouden der ouder brieven ende onse leenregisteren daar van wesende welke voorsz. vier parceelen van leenen den voorn. Jan van Leijden zijn aangekomen ende bestorven bij dode en makinge van Diederik van Leijden, in leeven Heere der steede Vlaerdingen en Vlaerdinger ambacht, Babberspolder, West-Barendregt, Carnisse, Hardinxvelt, Oostvoorne, Rugge, Oosterlandt, Rocangen, Nieuwenhoorn, Nieuwe Goote, St. Annapolder, Kraijenisse, Oud- en Nieuw Kraijerspolder, mitsgaders raed en oud-burgemeester der stad Leijden, en weegens deselve gedeputeerde in het Collegie ter Admiraliteijt tot Amsterdam, rentmeester van ’s lands universiteijt en secretaris van het Hoogheemraedschap van Rijnlandt etc., zijn vader, volgens desselfs testamentaire dispositie den 4e Junij 1760 voor den notaris Willem Scheerken en seekere getuijgen binnen de stad Leijden gepasseert, uijt kragt van onsen octroije den 6e Maart 1751 aan hem verleend, zijnde het voorsz. octroij met een extract uijt het voorsz. testament mitsgaders nogh seekere acte van keuze beneffens deesen in onse leenregisteren geregistreert. Ende hier van heeft den voorn. Jan van Leijden ons hulde en manschap gedaan als ’t behoorde in handen van onsen lieven ende getrouwen Raed-pensionaris ende bewaarder van onsen grooten zegele, de Heer Mr. Pieter Heijn als stadhouder ende registermeester van onse leenen. Daar bij aan ende over waren als onse leenmannen Mr.

 - 1 -

Cornelis Michiel Ten Hove, onsen griffier van de leenen, Mr. Martinus Gousset, secretaris van onse houtvesterije ende Mr. Martinus van der Craght, advocaat fiscaal van onse domeijnen. Toirconden deesen onsen brieve bezegelt met onsen grooten zegele.

Gedaan in den Hage den XIIe December XVII c. vier en sestigh.

Pieter Heijn

Bij de Staten van Holland ende Westvriesland,
ter relatie van stadhouder en leenmannen voornoemt,

C. M ten Hove

 

corr. en typ. 2009 JvV

 

 

 - 2 -

Ga terug