inv. nr. 153, verleibrief West-Barendrecht en tienden te Barendrecht, dd. 9 september 1790

De Staaten van Holland en Westvriesland, doen kond allen luijden, dat wij behoudens ons ende eenen ijgelijks regt, verleijd ende verleend hebben, verlijen en verleenen bij deezen onzen brieve Frederic van Leijden als van ons geobtineerd hebbende brieve van Venia aetatis in dato 23 Junij deezes jaars 1790 beneffens deeze in onze leenregisteren geregistreert, de naarvolgende vier perceelen van leen, te houden van ons den voorsc. Frederic van Leijden, te zaamen ende ijder in ’t bijzonder tot eene onversterffelijke erfleene, als eerst: de Ambagts heerlijkheijd van Westbarendrecht, met den schout ambagt, met den nakoop, met dijkgraafschap ende voorts met allen zijnen toebehooren, ende met al dat de ambagts heerlijkheijd aankleeven mag, alzoo binnen ’s dijks als buijten ’s dijks, strekkende tot den diepte toe, uijtgenomen visscherije, vogelrijen, stalen, veenen, ende uijtgorsen, leggende buijten dijks in dezelve ambagte, ende ook uijtgenomen alle de coornthienden ende smalthienden die hier namaals buijten dijks komen ende vallen zullen, als ook die nu binnen ’s dijks leggende zijn ’t welk in onze leenregisteren gedesigneert is met no. 1619;

nog de smalthiende van West Barendrecht, die nu bedijkt zijn of namaals bedijkt zoude mogen worden met alle toebehooren ’t welk gedesigneert is met no. 1620;

nog de geheele coornthienden groot en kleijn die nu is, ofte namaals tot eenigertijd vallen of koomen mag in de onbedijkte lande leggende, als nu buijten ’s dijks tot den diepte toe, mitsgaders alle actie, regt ende toeseggen dat Jacob van Minnebeek aan de voorsc. tienden groot en kleijn van de voorsc. buijtendijkse landen in eeniger manieren hebbe mogt, twelk gedesigneert is met no. 1621;

ende laatstelijk nog de binnen ’s dijkse coornthiende alleenlijk van den ambagte van West-Barendrecht gelegen in den lande van Zuijdholland genaamt Jacob Dammasz. ambagt, twelk gedesigneert is met no. 261.

Al naar inhoude der oude brieven ende onze leenregisteren daarvan weezende, welke voorsc. vier perceelen van leenen den voorsc. Frederic van Leijden zijn aangekoomen en bestorven bij doode en overlijden van Cornelis Pieter van Leijden, in deszelfs leeven Heer van Warmond, Heere van West-Barendrecht, Carnisse, Craijenissse, Oud Craijers polder, in Onwaard etc. etc. Ende voor den voorsc. Frederic van Leijden heeft ons hier van hulde en manschap gedaan als ’t behoorde Adriaan Huijgens, premier clercq van onze secretarije, vermogens de procuratie op hem bij den voorsc. Frederic van Leijden den 10e Augustus deezes jaars 1790 voor den notaris Cornelis le Clercq en getuijgen te Warmond gepasseerd, beneffens deeze in onze leenregisteren geregistreert. In handen van onzen lieven ende getrouwen Raadpensionaris en bewaarder van onzen groote zegele de Heer Mr. Laurens Pieter van de Spiegel als stadhouder en registermeester van onze leenen.

Daar bij aan ende over waaren als onze leenmannen: Mr. Cornelis Michiel Tenhove, onzen griffier van de leenen, Mr. Martinus van der Craght, advocaat fiscaal van onze domainen en Matthijs Eliza Verstege, clercq van onze leenkamere. Toirconde deeze onze

- 1 -

brieve bezegelt met onse groote zegele. Gedaan in den Haage den IX September XVII c negentig.

 

L.P. van de Spiegel vt.

 

Bij de Staaten van Holland en Westvriesland
ter relatie van stadhouder en leenmannen voornt.

C.M. TenHove vt.

 

corr. en typ. 2008 JvV

 

 

 

 

 

 

 - 2 -

Ga terug