inv. nr. 20, verlei Oost-Barendrecht dd. 17 augustus 1703

fragment verleibrief

De Staeten van Holland ende Westvrieslant doen kond allen luijden, dat wij behouden ons ende eenen ijgelijcx recht, verlijd ende verleent hebben, verlijen ende verlenen bij desen onsen brieve Nicolaes van der Dussen, Heere van de Souteveenen, woonende tot Dordrecht, d’ ambachtsheerlijckheijd van Barendregt, de sluijse, visscherije, vogelrije, de smalthiende in Carnisse, de smalthiende in de Polre, een deel in Tijselincxwaart, de uijtterdijck van Barendregt, de coornthiende tot Barendregt, tot Meusinkbroek ende Bolnisse, als hem aangecomen ende bestorven bij doode ende maakinge van Lidia van Beveren, sijn vrouw, volgens hare testamentaire dispositie in dato 25 Julij 1701 ende onse opene brieve van octroije in dato 9 December 1675, te samen beneffens desen in onse leenregisteren geregistreert, te houden van ons bij de voorn. Nicolaas van der Dussen, sijnen erven ende nacomelingen, tot eenen erffleene, ’t welk in onse leen-registeren gedesigneert is met no. 384.

Ende hiervan heeft ons de voorn. Nicolaas van der Dussen hulde, eed ende manschap gedaen, als ’t behoorde, in handen van onsen lieven ende getrouwen Raadpensionaris ende bewaarder van onsen grooten zegele, de Heer Anthonij Heinsius als stadhouder ende registermeester van onse leenen.

Daar bij, aan ende over waren als onse leenmannen Johan Hendrik Coccejus, onsen griffier van de leenen, Mr. Cornelis Bosch, advocaet voor onse respective Hoven van Justitie, ende Francois Laurentius, ordinaris clercq in onse Finantie. t’ Oirconden desen onsen brieve bezegelt met onsen grooten zegele.

Gedaan in den Hage den XVIIe Augusti seventienhonderd en drie.

 

A. Heinsius vt.

 

Bij de Staten van Holland ende Westvriesland,
ter relatie vanden stadhouder ende leenmannen voorn.t

J.H. Coccejus

 

corr. en typ. 2009 JvV

Ga terug