inv. nr. 24, verleibrief Oost-Barendrecht dd. 2 juni 1730

De Staten van Holland ende Westvriesland doen kond allen luijden, dat wij behoudens ons ende eenen ijgelijks regt, verlijd ende verleend hebben, verlijen ende verleenen bij desen onsen brieve Jacob van der Dussen, Heere van Souteveen etc. de ambagtsheerlijkheijd van Barendregt, de sluijse, visscherije, vogelrije, de smaltiende in Carnisse, de smaltiende in de Polre, een deel in Tesselinxwaart, de uijtterdijk van Barendregt, de coorntiende tot Barendregt, tot Meusinkbroek ende Bolnisse, als hem aangekomen ende bestorven bij doode ende overlijden van Mr. Ewout van der Dussen, in sijn leven Heere van Souteveen, Oost-Barendregt, in Middelharnisse, raad en oud burgermeester der stad Delff, gecommitteerde ter vergaderinge van haar Hoog Mogende de Heeren Staten Generaal der Vereenigde Nederlanden, mitsgaders bailliu en dijkgraaff van onsen eijlande van Strijen etc. etc., sijn vader, te houden van ons bij de voorn. Jacob van der Dussen, sijnen erven ende nakomelingen tot eenen erffleene, ’t welk in onse leenregisteren gedesigneert is met no. 384, al naar inhouden der ouder brieven ende onse leenregisteren daar van wesende.

Ende voor de voorn. Jacob van der Dussen heeft ons hier van hulde, eed ende manschap gedaan, als ’t behoorde, Mr. Jacob van der Lelij, bailliu en schout van Souteveen, vermogens de procuratie op hem bij Catharina Maria Vallensis, weduwe van de voornoemde Mr. Ewout van der Dussen, als moeder en voogdesse over de voorn. Jacob van der Dussen, den 24en laastleden voor de notaris Jacob van der Werff en sekere getuijgen tot Delff gepasseert, beneffens desen in onse leenregisteren geregistreert, in handen van onsen lieven ende getrouwen bewaarder van onsen grooten zegele, de Heer Jacob Godefroij van den Boetzelaar, Heere van Nieveen etc. etc. etc., als stadhouder ende registermeester van onse leenen, behoudelijk ende welverstaande, dat de voorn. Jacob van der Dussen gehouden blijft ons selfs hier van hulde, eed ende manschap te doen binnen ’s jaars nadat hij tot sijnen mondigen jare ofte ten huwelijken staate sal gekomen sijn. Ende indien middelerwijl de voorn. Mr. Jacob van der Lelij mogte komen aflijvig te werden, dat alsdan bij de voogden in der tijd weder een ander persoon gesteld ende bij hem insgelijks binnen ’s jaars den behoorlijken eed gedaan sal moeten werden. Daarbij, aan ende over waren als onse leenmannen Mr. Johan Ten Hove, onsen griffier van de leenen, Francois Laurentius, commis van onse Finantien, ende Mr. Frans van Limborch, advocaat voor onse respective Hoven van Justitie.

t’ Oirconden desen onsen brieve besegelt met onsen grooten zegele.

Gedaan in den Hage den 2en Junij XVII c dertig.

J.G.V.Boetzelaer

Reg.ta Libro Hanoversche All.tie
Cap.o Zuijdh.t fol.o 42 verso

corr. en typ 2009 JvV

Ga terug