inv. nr. 28, verleibrief Oost-Barendrecht dd. 9 april 1770

De Staten van Holland ende Westvriesland doen kond alle luijden, dat wij behoudens ons ende eenen ijgelijks regt verleijd ende verleend hebben, verlijen ende verleenen bij deesen onsen brieve Ewout van der Dussen, oud omtrent 18 jaeren, wonende te Amsterdam, de ambachts-heerlijkheijd van Barendregt, de sluijse, visscherije, vogelrije, de smaltiende in Carnisse, de smaltienden in de Polre, een deel in Tijsselinxwaert, de uijterdijk van Barendregt, de coorntiende tot Barendregt, tot Mensinkbroek en Bolnisse, als hem aangekomen ende bestorven bij dode en makinge van Mr. Nicolaas van der Dussen, in leeven Heere van Oost-Barendrecht, in den oudraed der stad Dordrecht en weegens deselve stad gecommitteert in ’t collegie van onse gecommitteerde raeden etc., zijn vader, volgens desselfs testamentaire dispositie den 30e april 1755 voor den notaris Jan van der Star en seekere getuijgen binnen de stad Dordrecht gepasseert, uijt kragte van onsen octroije den 8sten Maart 1749 aan hem verleend, beijde beneffens deesen in onse leenregisteren geregistreert, te houden van ons bij de voorsz. Ewout van der Dussen, zijnen erven ende nakomelingen tot eenen erfleene, ’t welk in onse leenregisteren gedesigneert is met no. 384, al naar inhouden der ouder brieven ende onse leenregisteren daar van wesende.

Ende voor den voorsz. Ewout van der Dussen heeft ons hier van hulde en manschap gedaan als ’t behoorde Mr. Cauzius onder de Wijngaert, advocaat en notaris binnen de stad Delft, vermogens de respective procuratien op hem den 23e Februarij laestleeden voor den notaris Rombout Coster en seekere getuijgen alhier en voor den notaris Gerrit Bouman en seekere getuijgen te Amsterdam gepasseert bij Mrs. Jacob van der Dussen, Heere van Zouteveen en in Middelharnis etc., Gerard van Vredenburgh, ontfanger generael der kerkelijke goederen, bewindhebben der geoctroijeerde Nederlandsche Oostindische Compagnie ter camere der stad Delft en meesterknaep van Holland en Westvriesland en Mr. Egbert de Vrij Temmink, burgermeester en raed der stad Amsterdam etc., in qualiteijt als bij den voorsz. testamente, mitsgaders zeekere nadere acte in dato 3 November 1757 bij den voorsz. Mr. Nicolaas van der Dussen en Elisabeth Aletta Slicker, egte lieden, aangestelt tot voogden over hunne onmondige of toezigt nodig hebbende kinderen, zijnde de voorsz. respective procuratien en nadere acte mede beneffens deesen in onse leenregisteren geregistreert, in handen van onsen lieven ende getrouwen raed-pensionaris ende bewaarder van onsen grooten zegele de Heer Mr. Pieter Steijn, als stadhouder ende registermeester van onse leenen, behoudelijk ende welverstaande, dat den voorsz. Ewout van der Dussen gehouden blijft, ons selfs hiervan hulde en manschap te doen binnen ’s jaars, nadat hij tot sijn mondigen jaere ofte ten huwelijken staate sal gekomen sijn. Ende indien middelerwijl den voorsz. Mr. Cauzius onder de Wijngaert mogte komen aflijvig te werden, dat als dan bij de voogden in der tijd weeder een ander persoon gestelt ende bij hem insgelijks binnen ’s jaars behoorlijke hulde en manschap gedaan sal moeten werden.

Daar bij, aan ende over waren als onse leenmannen Mr. Cornelis Michiel Ten Hove, onsen griffier van de leenen, Mr. Martinus Gousset, secretaris van onsen houtvesterije, ende Mr. Martinus van der Craght, advocaat fiscaal van onse domeijnen.

 - 1 -

Toirconden deesen onsen brieve bezegelt met onsen grooten zegele.

Gedaan in den Hage den IXe April XVII c seventigh.

 

P. Steijn vt.

 

corr. en typ. 2009 JvV

Ga terug