inv. nr. 83, verhuurakte vogelarij Oost-Barendrecht dd. 1 juni 1629

Wij, Herman Halling, Heere Jansz., ende Adriaen van Hoogeveen Gerritsz., schepenen in Dordrecht, oirconden ende kennen, dat voor ons quam d’ Heer Arent Maertensz., ambachtheer van Oostbarendrecht, dewelcke bekende verhuijrt te hebben Ploen Stevensz., woonende onder Oostbarendrecht voorsz., hijer mede comparerende, die bekende de huijre aengenomen te hebben van de vogelaerije met poelen en de lange lijne voor geheel Oostbarendrecht, streckende van de halven Oostwech ende alsoo Oostwaert aen tot de raije tusschen Oostbarendrecht ende Heerjansdam, opte gorssen leggende aen de Noortsijde van het diep ofte kille dat loopt tusschen den ouden dijck als Suijtsijde, ende de voorsz. gorssen voor t’ buijtenland van Oostbarendrecht aen de Noortsijde. Ende dat voor eenen tijt van ses jaren innegaende meijdach lestleden ende uijtgaende Meij anno XVI c vijff ende dartich, behoudende de edele Heere van de Mijle sijn recht van de vogelarije opte voorsz. gorssen, daer hij recht van vogelarije heeft, waar vooren den voorn. huijrman belooft heeft jaerlicx aen de voorn. ambachtsheer ofte sijne erfgenamen te leveren thijen gevairt goede vogelen, verbindende ten wedersijden den verhuijrder ende huijrman voor ’t gene voorsz. is, haerluijder persoonen ende goederen soo roerenden als onroerenden, present ende toecomenden, stellende die ende de heure van dien subiect ’t verbant van allen rechten ende rechteren.

In oirconde desen brieve gegeven op den eersten Junij XVI c negen ende twintich.

 

corr. en typ. 2009 JvV

Ga terug